Willem van Oranje
Zijn leven en nalatenschap
Willem van Oranje (1533–1584) werd geboren als Willem van Nassau op kasteel Dillenburg in Duitsland. Op elfjarige leeftijd erfde hij van zijn neef René van Chalon het prinsdom Orange en werd hij Prins van Oranje. Daarmee groeide hij uit tot een van de invloedrijkste edelen van Europa en legde hij de basis voor het Huis Oranje-Nassau.
Omdat zijn bezittingen onder het katholieke Habsburgse rijk vielen, verhuisde Willem als jongen naar Brussel en kreeg hij aan het hof van keizer Karel V een katholieke opvoeding. In zijn jonge jaren maakte hij carrière als geliefd en invloedrijk edelman en diende hij trouw onder Karel V en later koning Filips II.
In een tijd waarin godsdienstvrijheid niet bestond en het opkomende protestantisme hard werd bestreden, ontwikkelde Willem een opvallend tolerant standpunt. Op oudejaarsavond 1564 hield hij een betoog waarin hij pleitte voor gewetensvrijheid: mensen moesten zelf mogen bepalen wat ze geloven en denken.
De spanningen liepen verder op na de onrust van 1566 en de groeiende repressie. In 1568 namen de Spanjaarden Willems bezittingen in de Nederlanden in beslag en werd zijn oudste zoon Filips Willem naar Spanje ontvoerd. Willem stelde zich daarop aan het hoofd van het gewapende verzet tegen Filips II en werd zo de leider van de Opstand.
In 1572 zocht hij veiligheid in Delft. Vanuit het Sint Agathaklooster—het latere Prinsenhof—stuurde hij de Opstand aan. Toen Filips II hem in 1580 vogelvrij verklaarde, schreef Willem in Delft samen met raadgevers zijn Apologie, een verdediging en propagandatekst die in meerdere talen door Europa werd verspreid en waarin hij opnieuw pleitte voor geloofsvrijheid.
Op 10 juli 1584 werd Willem in het Prinsenhof in Delft vermoord door Balthasar Gerards. Omdat Breda (de traditionele grafplaats van zijn familie) in Spaanse handen was, werd hij begraven in de Nieuwe Kerk in Delft.
Na zijn dood groeiden de opstandige provincies uit tot een onafhankelijke republiek. Willem van Oranje wordt gezien als een grondlegger van die nieuwe staat en kreeg de eretitel Vader des Vaderlands.